


Impressie van dag 2 van Festival Oude Muziek Utrecht 2025
UTRECHT, Stadsschouwburg (grote zaal), Pieterskerk en Domkerk. Uitvoerenden: La Tempête , Utupia Ensemble en Ricercar Consort. Programma’s: Sibille(s), Het Koorboek van Margaretha van Oostenrijk I
Op dag twee van het wereldvermaarde Festival voor Oude Muziek te Utrecht mocht ik een drietal concerten bijwonen. Het eerste concert vond plaats in de grote zaal van de Stadsschouwburg en was een duidelijk voorbeeld van totaaltheater: zingen, spelen, dansen en acteren. Het was bewonderenswaardig hoe de leden van La Tempête deze takken van “sport” wisten te combineren. Omdat dit mijn eerste concert was, voelde het wel als een cultuurshock dat uitgerekend de eerste drie composities vervaardigd waren door 20e eeuwse componisten. Pas bij een fragment uit L’Orfeo van Monteverdi kon ik wat achteroverleunen: ja, ik was toch écht bij het Festival Oude Muziek terechtgekomen. Niet dat ik iets in te brengen heb tegen crossover, maar enigszins vervreemdend werkte deze potpourri van ontstaansgeschiedenis wél. Over “oude” muziek gesproken: Orestes stasimo (persoonlijke noot: in 1984 bij mijn eindexamen Schoolmuziek gebruikt om een choreografie op te maken) dateerde uit de vijfde eeuw vóór Christus, met tekst van Euripides. Het toneelbeeld was een weldaad voor de ogen: overal viel wat te zien, met als ultieme vondst een soort lessenaars, in de vorm van planken die van boven neergelaten werden en ook de rookmachine deed geregeld zijn werk. De spreekteksten waren afwisselend in het Spaans en Frans. Het thema, rond de profetes Sibylle, was omgeven door muzikale en theatrale symboliek. Kortom: boeiend om te zien en te horen, maar voor een eerste concert had ik wat meer affiniteit met oude muziek verwacht.
Op dit punt kwam ik volkomen aan mijn trekken in de Pieterskerk, waar vijf vocalisten werken uit het koorboek van Margaretha van Oostenrijk ten gehore brachten, met als zwaartepunt de Missa Paschale van Pierre de la Rue. Ook hier moest ik even wennen: normaal beluister ik Passiemuziek uitsluitend in de 40 dagentijd, maar de muziek is te mooi om alleen maar dán te beluisteren, bleek weer eens. Daaraan toegevoegd dat de uitvoering van een wel erg hoog gehalte was. Deze vijf Belgische zangers zongen de sterren van de hemel en gingen ook vindingrijk om met de akoestiek, door zich steeds op een ander “plateau” in de kerk te begeven. Helemaal in het begin zagen we vier mannen, maar alras voegde zich mezzosopraan Michaela Riener erbij en dat vormde een extra klankdimensie. Alles klonk spatgelijk, spatzuiver en glashelder van articulatie. Van Franstaligen weet ik dat ze de Latijnse “u” niet als “oe” uitspreken, maar als “üü”, maar hierin speelt de taalstrijd kennelijk geen rol: dit wordt blijkbaar in heel België zo gedaan: Sanctüüs, Benedictüüs, Agnüüs Dei. Even wennen, maar niet minder mooi.
Het avondconcert vond niet plaats in TivoliVredenburg, maar in de Domkerk, met twee vroeg 17e eeuwse Duitse tijdgenoten wier achternaam met een S beginnen: Schütz en Schein. Hier een niet louter vocale uitvoering, maar vijf zangers en een ensemble van nog eens acht instrumentalisten. Zeker geholpen door de ruime akoestiek van deze kerk was het een balsem voor het oor wat te beluisteren viel. Muziek uit de tijd van de 30-jarige oorlog en door deze wrede laag bijna gruwelijk mooi te noemen, bitterzoet zo u wilt. Wat hébben deze componisten zich ingespannen om er zoiets moois van te maken. Heel verrassend vond ik overigens de zetting van Herr, unser Herrscher van Heinrich Schütz, die precies een eeuw geboren werd voor de “grote Bach”, die deze tekst gebruikte voor zijn openingskoor van de Johannes Passion. Hoe actueel de boodschap helaas na zoveel eeuwen is, werd duidelijk bij de toegift: Da Pacem, Domine (Geef vrede, Heer): het kan niet vaak genoeg gezegd -of hier: gezongen- worden
Geschreven door: Koen Edeling
Foto's van: Marieke Wijntjes, Tim de Backer en Foppe Schut
Gezien op: 30 augustus 2025

